Je kiest een stof uit de rij links, tekent ermee op het werkvlak en de simulatie doet de rest. Zand valt, hoopt op en rolt van zijn eigen helling af tot de hoop een stortkegel van ruwweg vierendertig graden heeft. Water valt, zoekt zijwaarts een weg en vlakt uit. Olie blijft erop drijven en zand zakt er doorheen, want elke stof heeft een dichtheid uit een gewoon naslagwerk. Rook en stoom stijgen op en mengen zich met de lucht. Steen, hout, baksteen en staal blijven staan waar je ze zet, tot ze smelten of vlam vatten. Er is geen opstartscherm: het werkvlak loopt al als de pagina opent, met een straaltje zand, een bak water en een vuurtje op een plank. Pauze, één stap vooruit en ongedaan maken zitten in de balk bovenaan.
Elke cel draagt een temperatuur in kelvin, ook een lege. Warmte stroomt van cel naar cel met een geleiding per stof: ijzer snel, hout traag, lucht nauwelijks. Zet je lava naast water, dan kookt het water tot stoom en stolt de lava tot steen. IJs smelt bij nul graden terug tot het water waar het van kwam, en zout water dat bevriest onthoudt dat het zout was. Zand smelt bij ruim zeventienhonderd graden tot gesmolten glas en stolt tot glas. Vuur steekt hout, planken, olie en planten aan met een kans die per stof verschilt, verwarmt de lucht erboven en dooft als het water raakt. Met het verwarm- en koelpenseel stel je zelf de temperatuur van een stuk wereld bij, en met het drukpenseel geef je de lucht een stoot: de luchtstroming die daaruit volgt blaast zand, water en rook weg.
Deze versie telt 191 stoffen in elf groepen. Poeders: zand, aarde, klei, grind, zout, suiker, meel, sneeuw, as, roet, houtskool, kalk, cement, gips, zwavel, salpeter, ijzervijlsel en glaspoeder. Brandbaar en explosief: buskruit, thermiet, magnesium- en aluminiumpoeder, dynamiet, TNT, nitroglycerine, kneedspringstof, napalm, lont, snellont, slaghoedje, vuurwerkster, koudvuur en fosfor. Vloeistoffen: water, zout water, gedistilleerd water, koolzuurwater, olie, benzine, diesel, alcohol, aceton, honing, kwik, zuur, loog, zeepsop, verf, lijm, slijm, teer, vloeibare stikstof, lava, gesmolten glas en gesmolten metaal. Gassen: stoom, rook, damp, mist, waterstof, zuurstof, stikstof, helium, koolzuurgas, methaan, propaan, chloor, ammoniak, perslucht en vacuüm. Bouwstoffen: steen, graniet, zandsteen, kalksteen, baksteen, beton, gewapend beton, asfalt, hout, plank, spaanplaat, papier, karton, doek, touw, stro, kurk, piepschuim, rubber, kunststof, was, keramiek, isolatiewol, glas, gehard glas en steenkool. Metalen: ijzer, staal, roestvast staal, koper, aluminium, lood, goud, zilver, titaan, wolfraam, diamant, grafiet, silicium, natrium, een magneet en een spiegel. Warmte en koude: vuur, gasvlam, plasma, gloeiende kool, een warmtebron, een koudebron, een thermostaat, ijs, rijp, bliksem, droogijs en een vonk. Kern en straling: uranium, verrijkt uranium, plutonium, een splijtstofstaaf, een regelstaaf, een moderator, een stralingsscherm, deuterium, tritium, fusieplasma, antimaterie, radioactief afval, een zwart gat en een wit gat, en de vier snelle deeltjes neutron, proton, elektron en foton. Elektronica: draad, isolator, batterij, schakelaar, drukknop, lamp, weerstand, zekering, P-halfgeleider en N-halfgeleider, klok, condensator, warmtesensor, druksensor, stofsensor, zender, ontvanger en verwarmingsdraad. Leven en groei: zaad, plant, gras, mos, schimmel, gist, bacterie, virus, koraal, drie soorten van het spel van het leven en drie dieren: mier, vis en vogel. Machines: bron, leegte, buis (met ingang en uitgang), pomp, ventilator, zuiger, frame, verwarmer, koeler, deeltjeswerper, opslagcel, omzetter en een lopende band naar links of naar rechts. Daarnaast zijn er zeventien stoffen die je niet kunt kiezen maar wel kunt máken, zoals roest, sintels, gebluste kalk, glasscherven, dode gist, zeepbellen, harde lijm, radioactief stof en kapotte elektronica. Elke stof is één rij in een tabel: dichtheid, smelt- en kookpunt, ontvlambaarheid, hoe heet hij brandt en wat hij achterlaat, weerstand tegen zuur, wat hij uitzendt, of hij stroom geleidt en wat een neutron of foton bij hem doet. De reacties tussen buren staan in een aparte lijst: zout lost op in water, zuur vreet metaal en laat waterstof vrij, loog maakt zuur onschadelijk, natrium ontploft in water, kalksteen bruist in zuur, cement wordt beton, aceton lost piepschuim op, ijzer roest in zout water, gist maakt van suiker alcohol, schimmel eet hout, mieren eten suiker. Springstof gaat af op hitte of op een drukstoot en duwt via de lucht echt materie weg; thermiet brandt zich door staal; een meelwolk explodeert waar een meelhoop alleen aan de buitenkant brandt. Een zwart gat trekt zand, water en dieren naar zich toe en laat ze verdwijnen, een wit gat spuwt ze uit, en lijm hardt uit en plakt poeder aan elkaar.
Het werkvlak is een raster van cellen dat zestig keer per seconde wordt doorgerekend, in een vaste stap die losstaat van de beeldsnelheid van je scherm. De rastermaat wordt bij het openen gemeten in plaats van geraden: de pagina draait even een vaste proefscène en kiest de grootste maat die dit apparaat vloeiend haalt. Wordt het onderweg te zwaar, dan gaat het tempo naar dertig stappen per seconde en daarna de wereld een maat kleiner; dat staat dan in het venstertje rechtsboven. Alles rekent in je eigen browser en er gaat niets naar een server. Het model is een spel, geen laboratorium: de zwaartekracht is één cel per stap, warmte stroomt paarsgewijs tussen buren en de lucht is een grof raster van druk en snelheid. Dit genre heet falling sand; er bestaan bekendere voorbeelden van. Dit is een eigen bouwsel, geen kopie of omzetting van andermans programma.
Met Ctrl+S (of de knop met het pijltje omlaag) bewaar je je wereld als een klein bestand met de extensie .dlz; met Ctrl+O, de mapknop of door het bestand op het werkvlak te slepen open je het weer. Het bestand bevat de stoffen, de temperatuur van elke cel, de muren, de druk en de wind, en het wordt in je browser samengeperst: een rustige wereld is een paar tientallen kilobytes, een wereld vol ruis na een explosie een stuk meer. Is de wereld klein genoeg, dan deel je hem met de linkknop: de hele wereld zit dan in het webadres en er gaat nog steeds niets naar een server; is hij te groot voor een link, dan krijg je hetzelfde bestand als download en zegt het scherm dat. Een bestand wordt eerst helemaal nagekeken voordat het je wereld vervangt. Klopt de maat niet, staat er een stof in die deze tool niet kent, is een temperatuur onzinnig of houdt het bestand halverwege op, dan blijft je wereld staan en zegt het scherm waarom.
Links staat het gereedschap. Het penseel tekent rond, vierkant, als lijn of als rechthoek, met de grootte op de schuif of met [ en ]; vullen vult een afgesloten gebied of vervangt een aaneengesloten stof; de gum wist stof, muur en kleur; de pipet neemt de stof onder de aanwijzer over; decoratie geeft cellen een kleur die met de cel meereist; verwarmen en koelen stellen de temperatuur bij; drukstoot en zuigen geven de lucht een duw; wind laat het waaien in de richting waarin je sleept; het stempel kopieert een uitsnede en zet die met een klik ergens anders neer; en eigenschappen toont van de cel onder de aanwijzer de stof, temperatuur, druk, wind en levensduur. Muren zijn er in acht soorten: een harde muur, alleen gas, alleen vloeistof, alleen poeder, warmtegeleidend, isolerend, en portaal in en portaal uit — wat in de ingang valt komt uit de uitgang. De stoffen kies je in drie lagen: een rij met de acht die je het laatst gebruikte, de groepen als tabbladen, en daaronder de stoffen van de gekozen groep. Met de toets / zoek je op naam, en wie een stof aanwijst of er lang op drukt krijgt de stofkaart: dichtheid, smelt- en kookpunt, brandbaarheid en de stoffen waarmee hij reageert. Ongedaan maken (Ctrl+Z) onthoudt één stap per streek, tot veertig stappen of achtenveertig megabyte; opnieuw doen is Ctrl+Y. Verder: pauze, één stap vooruit, het tempo van een kwart tot vier keer, en vijf weergaven met de toetsen 1 tot 5: normaal, warmte, druk, snelheid en vuur. Elke toets werkt zonder eerst op het werkvlak te klikken, behalve wanneer je in een invoerveld typt.
Een vonk loopt cel voor cel door draad, koper, ijzer of water — gedistilleerd water geleidt niet — met een korte rusttijd per cel, zodat hij nooit terugkaatst: een enkele puls komt op elke cel precies één keer langs, en een lus van meer dan acht cellen blijft eeuwig rondlopen. Een batterij stuurt een gestage trein van pulsen, een klok tikt om de dertig stappen (warmer is sneller), een lamp licht op en zendt fotonen uit, een weerstand wordt warm, een zekering breekt bij oververhitting, een condensator houdt een lamp nog even aan als de stroom wegvalt, en een warmte-, druk- of stofsensor zet de draad onder stroom zodra hij iets voelt. Poorten bouw je met twee halfgeleiders: de P-halfgeleider is een stuurlijn die een N-halfgeleider ernaast opent, een batterij of klok het zwijgen oplegt en een schakelaar omklapt; de N-halfgeleider geleidt alleen zolang een P hem open houdt. Zo is een EN-poort een N met een P ertegen, een NIET-poort een klok met een P ertegen, en een OF-poort niet meer dan twee draden bij elkaar. Straling: uranium, verrijkt uranium en plutonium zenden uit zichzelf neutronen uit, en een neutron dat splijtbaar materiaal raakt maakt warmte, druk en twee of drie nieuwe neutronen — de kettingreactie. Een moderator remt neutronen (trage neutronen splijten vaker), een regelstaaf en een stralingsscherm slikken ze op, lood ook. Deuterium en tritium fuseren bij extreme hitte én druk tot fusieplasma. Fotonen vliegen door glas en water, kaatsen op een spiegel en waaieren in glas uiteen in kleuren; protonen en elektronen zetten een draad onder stroom. Er zijn nooit meer dan twintigduizend deeltjes tegelijk: daarboven komt er niets bij, en dat staat dan in het venstertje rechtsboven. Het spel van het leven is er in drie soorten met elk een eigen regel en tempo, en het deelt de wereld met de stoffen: je kunt een glider in brand steken. Machines: een bron laat eindeloos stromen wat er als eerste in viel, een leegte laat alles verdwijnen, een buis vervoert van ingang naar uitgang, een pomp en een ventilator blazen, een zuiger schuift met stroom weg van zijn draad en duwt zand en een frame voor zich uit, een verwarmer en een koeler schakelen met stroom, een deeltjeswerper schiet, een opslagcel spaart en geeft met stroom terug, een omzetter maakt alles tot één stof en een lopende band schuift wat erop ligt opzij.